De compressiceps van Midden Amerika
Door Jan Fioole

Petenia splendida werd in 1862 beschreven en wel door de in Engeland werkzame ichthyoloog Albert Günther. Gedurende vele jaren bleef deze soort de enige van haar geslacht, maar volgens Willem Heijns zou inmiddels ook Cichlasoma umbriferum tot Petenia gerekend moeten worden, zodat we nu tevens een P. umbrifera hebben.De soorten van dit geslacht worden gekenmerkt door een zijdelings sterk samen gedrukt, maar gestrekt lichaam en een diep ingesneden, ver uitstulpbare bek. De onderkaak daarvan is langer dan de bovenkaak. De grondkleur is zilverachtig en heeft een groenbruine weerschijn. Op de flanken liggen, in een horizontale richting, vijf tot zes ovale vlekken. Ook op de staartwortel ligt zo’n vlek, maar die is min of meer zilverkleurig omrand. Afhankelijk van de gemoedstoestand waarin de dieren verkeren, kunnen deze vlekken de vorm aannemen van een dwarsband. De kleurtekening van de flanken doet sterk denken aan die van de “Guapotes”, een groep waaraan Petenia splendida nauw verwant is. Van laatstgenoemde soort kennen we overigens ook een sterk af wijkende kleurvorm. Die is volkomen rood en het is opvallend dat dergelijke kleurvormen ook voorkomen bij Amphilophus labiatus en Parachromis dovii. Overigens maakte Carl Hubbs reeds in 1935 melding van het bestaan van rode Petenia’s, terwijl ene Lundell zulke dieren bleek te hebben aangetroffen in Guatemala. In het begin van de tachtiger jaren vonden enkele Franse cichlidenliefhebbers deze kleurvorm in de Rio Candelaria en uiteindelijk ontdekte de Fransman Jean-Claude Nourissat in 1992 rode Petenia’s in een meertje dat in verbinding staat met de White Water Creek in Belize en in een zijrivier van de Labouring River. De soortnaam splendida betekent “de prachtige / de glanzende” maar in Mexico en Guatemala wordt deze cichlide “Tenguajagua” of “Tenguayaca” genoemd.

 Petenia splendida in haar natuurlijke omgeving
Deze soort houdt zich bij voorkeur op in de rustigere gedeelten van de rivieren, vooral in de nabijheid van de oevers. Daar treft men de dieren veelal aan tussen de oevervegetatie of tussen de takken van in het water gevallen bomen, Ook ziet men deze cichliden vaak in tijdelijke poelen op ondergelopen binnen of buitenwaarden, habitats die rijk zijn aan waterplanten. De levensstijl van P.splendida is dan ook van dien aard dat men deze soort vaak kan aantreffen in de benedenloop van grotere rivieren. Daar is de watertemperatuur vaker  wat hoger dan verder stroomopwaarts het geval is en mede daarom leven daar als regel meer karperzalmen, levendbarenden en jonge cichliden. Dank zij haar kleurtekening valt P.splendida in haar natuurlijke omgeving nauwelijks op. Veelal staat zij, met de kop schuin naar beneden gericht, doodstil te wachten op de prooidieren die zo onvoorzichtig zijn om te dicht in haar buurt te komen. Evenals de overbekende snoek heeft zij een torpedovormig lichaam, zodat zij moeiteloos naar een prooi kan toeschieten en onverbiddelijk kan toeslaan.
Petenia splendida heeft een uitstulpbare bek, hetgeen wil zeggen dat erbij deze soort een erg lange “steel” zit aan de tussenkaak. Deze steel glijdt over de snuit van de dieren en stelt hen in staat om de tussenkaak ver naar voren te duwen. Daardoor ontstaat er een sterke onderdruk en met behulp daarvan wordt het prooidier als het ware naar binnen gezogen. Op de foto kunt u duidelijk een dergelijke uitgestulpte bek zien. Ook in hel aquarium kunt u de jachttechniek van deze dieren bekijken. Daartoe moet u hen, uiteraard, voeren met levende visjes. Ook in de vrije natuur voedt P.splendida zich overwegend met de visjes die zij zo talrijk in haar thuiswateren tegenkomt. Denk in dat verband maar eens aan de roofzalm Astyanax fasciatus mexicanus en aan de vele levendbarenden.

Verspreidingsgebied
Het verspreidingsgebied van Petenia splendida strekt zich uit van Zuid-Mexico tot in Guatemala en Belize.
Rivieren en meren waarin Petenia splendida kan worden aangetroffen:

Mexico: Rio Candelaria, Rio Hondo, Rio Lacanjah, Rio Corzo, Rio Papaloapan, Rio Grijalva, Rio Chancala, Rio Tonala, Rio      Tulija, Cenote Azul
Belize: diverse cenotes, Belize River,White Water Creek
Guatemala: Petenmeer (typelocatie), Rio San Pedro Laguna San Juan Acul, Rio Subin

Het grote verspreidingsgebied van deze soort is mede door de mens tot stand gekomen, hoofdzakelijk omdat het hier een aantrekkelijke consumptievis betreft. Kennelijk smaken de dieren erg goed en in ieder geval worden ze erg groot (ongeveer 40 cm) en zwaar (meer dan vijf pond). Aquariumhouders die de thuiswateren van Petenia splendida hebben bezocht, weten dan ook te melden dat vertegenwoordigers van deze soort te koop worden aangeboden op vele markten. Daar liggen ze dan tussen veel andere cichliden, zoals exemplaren van Vieja synspila, Vieja maculicaucla en Parachromis managuense. Het is dan ook heel begrijpelijk dat de Tenguayaca op vele plaatsen werd uitgezet, zodat het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soort nu niet meer zo gemakkelijk kan worden herkend.
Het aanpassingsvermogen van P. splendida is bijzonder groot. Exemplaren ervan worden zowel aangetroffen in water met een KH en een GH van 3, als in water met een KH van 14 en een GH van 69! Ook komt deze soort voor in water dat een hoog gehalte aan zeewater heeft (een euryhaliene soort). Iets dergelijks kennen we ook van V.maculicauda en van V.synspila. Omdat P.splendida zo’n groot verspreidingsgebied heeft, kan zij worden aangetroffen in het gezelschap van veel andere cichlidensoorten, zoals Vieja spp., Thorichthys spp., en Theraps spp.

Geslachtsonderscheid en kleurpatroon
De geslachten kunnen bij Petenia splendida gemakkelijk van elkaar worden onderscheiden, Al op jonge leeftijd, bij een lengte van ongeveer 8 cm, worden de verschillen tussen de seksen zichtbaar. De mannetjes krijgen dan namelijk meer stippen op de kop. Worden de dieren ouder, dan wordt dit verschil steeds prominenter, omdat dan ook de vinnen voorzien worden van steeds meer stippen. De mannetjes worden ook duidelijk groter en blijven slanker dan hun vrouwelijke tegenhangers. Ook de mannetjes van de rode variant hebben meer rode stippen of vlekjes dan hun wederhelft maar de mate waarin dat het geval is verschilt per vindplaats.. Ik ben dan ook van mening dat er twee rode varianten bestaan. Verkeren de dieren in baltsstemming en worden de geslachtspapillen zichtbaar dan zien we ook daarin verschillen optreden. De mannelijke geslachtspapil is puntig, terwijl die van de vrouw kort en stomp is. Het is niet eenvoudig om een kleurbeschrijving te geven van P.splendida. Ik zal toch een poging daar toe doen, hoewel ik denk dat de foto’s die dit artikel vergezellen voor zich spreken.
De normaal gekleurde variant heeft een zilverachtige grondkleur die is voorzien van een groenbruine weerschijn. Op het lichaam en de staartwortel liggen in totaal zes donkere vlekken die ovaal van vorm zijn. Deze vlekken kunnen zich, afhankelijk van de gemoedstoestand waarin de dieren verkeren, uitbreiden tot ware dwarsbanden. Daarnaast is het lichaam veelal bezaaid met donkere vlekjes, die bij sommige exemplaren een soort van nettekening vormen Op de borstvinnen, alsmede op de aars- de rug- en de staartvin bevinden zich veel ronde, puntvormige vlekjes. Zoals hiervoor al werd aangegeven, hebben de mannetjes vooral op deze vinnen en op de kop veel meer donkere stippen dan de vrouwtjes. Bij de meeste exemplaren hebben deze vinnen een rode zoom, maar dat is afhankelijk van de vindplaats. De rode exemplaren zijn in het volwassen stadium geheel oranjerood van kleur, ook al is de buikpartij veelal wat lichter. De kop is vaak felrood gekleurd.

Verzorging in het aquarium
P.splendida is, zoals gezegd, een rustige vis die zijn naam als roofvis in een aquarium geen eer lijkt aan te doen. Eigenlijk kan deze soort heel goed tezamen met andere cichliden in een aquarium worden ondergebracht. U hoeft daarbij geen rekening te houden met de vraag of P.splendida de desbetreffende soorten ook in de vrije natuur zou kunnen tegenkomen. Uiteraard mogen de medebewoners niet te klein van stuk zijn, omdat ze anders worden beschouwd als prooidieren, Iets dergelijks is mij al eens overkomen toen de ogen van een 33 cm grote Petenia-man groter bleken te zijn dan zijn maag. Dit dier vergreep zich aan een 16 cm groot vrouwtje van Archocentrus octofasciatum, maar een prooidier van een dergelijke grootte bleek hij toch niet te kunnen hanteren. De prooi bleef dus in zijn keel steken en ik moest hem ervan verlossen. Een aquarium voor P. splendida moet minimaal 800 liter bevatten. Zo’n aquarium moet worden ingericht met veel kienhout en stenen die, wanneer zij op een natuurlijke manier worden opgestapeld, de nodige schuilplaatsen vormen. In die schuilplaatsen trekken deze dieren zich graag terug. Het licht moet een weinig diffuus zijn, wat kan worden bewerkstelligd met behulp van drijfplanten of door takken met bladeren (b.v. Beukenbladeren) in het aquarium te laten hangen. Een goed werkend filter is ook voor deze vissen van groot belang en een regelmatige waterverversing wordt door hen al evenzeer op prijs gesteld. Deze voorzieningen zullen bij de dieren een goede groei bewerkstelligen. Zoals hiervoor al werd gesteld komt P.splendida in de vrije natuur voor in wateren die een tamelijk hoge temperatuur hebben, Ook daarmee moeten we in het aquarium rekening houden.

De balts en het afzetten
Rainer Stawikowski en Uwe Werner schrijven in hun nieuwe boek, “Die Buntbarsche Americas Band I”, dat P.splendida pas na het bereiken van de leeftijd van twee jaar aan paarvorming gaat doen. De in mijn bezit zijnde exemplaren hadden deze passage’kennelijk niet gelezen, want zij begonnen reeds op een leeftijd van driekwart jaar en bij een grootte van ongeveer 16cm met het afzetten van eieren.
Komen de dieren in baltsstemming, dan zien we dat het mannetje met wijd gespreide vinnen en een uitgezakte keel om het vrouwtje heen gaat zwemmen, waarbij hij haar regelmatig met de kop in één van de flanken port. Wanneer het vrouwtje op de avances van het mannetje ingaat, dan zal het paar op zoek gaan naar een geschikt afzetsubstraat. Bij de in mijn bezit zijnde exemplaren was dat doorgaans een steen of een stuk kienhout, Vervolgens graven zij het zand en het grind rondom deze paaiplaats weg en beginnen zij het substraat te zuiveren van ongerechtigheden. Hun graaflust is veel geringer dan die van veel andere soorten, zoals bijvoorbeeld Vieja synspila. Dit graven en poetsen kan dagen vergen en in de loop daarvan komen de geslachtspapillen tevoorschijn. Het is prachtig om te zien hoe beide dieren, met wijd uilgestulpte bek, op hun medebewoners afstormen om hen te verjagen.Tijdens de periode waarin zij zich op de eiafzetting voorbereiden, verschijnen er op de flanken van de dieren verticale banden, waardoor zij een vervaarlijk en angstaanjagend uiterlijk krijgen. De streep over het voorhoofd en die door het oog doen sterk denken aan een masker, en het zien daarvan maakt aan de medebewoners duidelijk dat het niet verstandig is om te dicht hij het territorium te komen. Bij het afzetten legt het vrouwtje telkens een rijtje eieren. Elk rijtje wordt direct na het af zetten door het mannetje bevrucht. Deze laatste moet tevens proberen om eventuele indringers op afstand te houden. Het gedrag van de anders zo rustige, zelfs een weinig terughoudende, vissen is dan volkomen veranderd en met ijzeren hand regeren zij in de bak. Zij blijven de indringers echter niet najagen, zodat die zich telkens weer in veiligheid kunnen brengen. Ook hun verzorger zullen zij met een uitgezakte keelzak begroeten, wanneer die de voorruit van het aquarium benadert, De ontwikkeling van de eieren en het uitkomen van de larven vindt plaats op dezelfde wijze als die welke we kennen van de meeste Midden-Amerikaanse cichliden. Het is een onvergetelijke aanblik om deze vissen met een wolk jongen door de bak te zien trekken. Hoewel mijn dieren een grootte van niet meer dan 16 cm bezaten, zetten zij reeds een legsel van ongeveer 800 eieren af. Volwassen exemplaren produceren legsels van 2000 eieren.Zoals Stawikowski en Werner in hun boek schrijven, komen er van P.splendida ook gemengde koppels voor. Koppels dus die worden gevormd door een normaal gevlekt en een rood gekleurd individu. De jongen die door zulke koppels worden geproduceerd, zijn of normaal gevlekt, of rood van kleur. Ze zijn dus niet rood gevlekt. Ook bij mij zwemt er nakweek van een gemengd koppel. Deze jongen hebben nu een lengte van ongeveer 10cm bereikt en zij hebben allen het “gewone”, in het wild voorkomende kleurpatroon, ook al is er sprake van een oranje weerschijn. Ik heb ervaren dat de jongen van de paartjes die uit twee rode dieren bestaan bij een grootte van 10cm al volkomen oranjerood van kleur zijn. Ik zie wel hoe “de kruising” er uiteindelijk uit zal zien.

De opfok van het jongbroed
Het is van belang dat de jongen van P.splendida een poosje bij hun ouders kunnen blijven. In dat opzicht zijn zij niet veel anders dan de jongen van de meeste substraat broedende cichliden. Door hen bij de ouders te laten wordt de jongen de betekenis van bepaalde signalen ingeprent. Het gaat daarbij om signalen die de ouders afgeven wanneer er gevaar dreigt of wanneer er gefoerageerd kan worden. Wanneer wij de jongen direct bij hun ouders weghalen, dan zullen zij die signalen niet leren en dan zullen zij te zijner tijd ook hun eigen nakroost niet meer goed kunnen begeleiden. Ouderdieren die in hun jeugd niet de juiste signalen kregen ingeprent, gaan zich misdragen. Zij eten hun eieren of larven op en soms wordt het vrouwtje voortijdig door het mannetje verjaagd. Na een bepaalde periode moeten de jongen echter apart worden gezet om de verdere opfok goed te laten verlopen. Wanneer u de jongen wegzuigt moet u bedenken dat het verstandig is om er enkele bij de ouderdieren achter te laten, zodat die hun broedzorg op een enigszins normale manier kunnen beëindigen. Zou u dat niet doen, dan is het niet ondenkbaar dat de ouderdieren onderling ruzie krijgen en dat zou voor een van de dieren wel eens fout kunnen aflopen. Dat geldt overigens niet alleen voor P.splendida maar ook voor andere substraatbroedende cichlidensoorten. Het opfokken van de jongen geeft eigenlijk geen problemen. De eerste twee weken kunnen zij probleemloos worden gevoerd met Artemia-naupliën en daarna accepteren zij graag Cyclops en gezeefde daphnia’s. Na ongeveer vier weken nemen zij al volwassen Artemia’s tot zich. Mij is overigens gebleken dat zij zich gemakkelijk de kaas van het brood laten eten wanneer zij samen met andere cichlidenjongen worden opgefokt. Ze zijn dan bangelijk en zij laten zich gemakkelijk van de voederplaats verdrijven. Bij een grootte van 5 cm zien jonge exemplaren van P splendida er dan ook erg fragiel uit, Ik heb vastgesteld dat het beter is om zulke exemplaren niet tezamen met de jongen van andere cichlidensoorten op te fokken. Ze groeien dan veel sneller. P.splendida heeft gedurende de opgroeifase een lange uitzwemmer met veel stroming nodig. Daardoor groeien zij sneller en kunnen zij in het eerste levensjaar al een lengte van 20 cm bereiken.Tot slot nog het volgende: voor de verzorging van Petenia splendida hebt u een groot aquarium nodig. Beschikt u niet over een voldoende groot aquarium dan raad ik u af om met deze dieren te beginnen. U zou hen tekort doen. P. splendida is een soort die altijd in één van mijn aquaria te bewonderen zal zijn en die in mijn hart een warm plekje heeft veroverd.Toevoeging De kruisingsdieren zijn inmiddels al ver uitgegroeid, er zijn volkomen (wildkleur) exemplaren, normale rode exemplaren en bonte exemplaren uitgekomen, dus rood/wildkleur

Tekst & Foto's: ©J. Fioole
Literatuur:
Garbe, H. (1996) 22 (1): 12-21
Keijman M.C.W. (1990): Cichlidae (Midden Amerika), Petenia: 1-4.
Stawikowski, R.& U. Werner (1998): Die Buntbarsche Amerikas Band 1.
Eugen Ulmer Verlag, Stuttgart

 

Filmmateriaal: